woensdag 27 juni 2012

Onderzoek naar bouw vergistingsinstallatie

Op donderdag 28 juni a.s. ondertekenen de gemeente Westland, deelgemeente Hoek van Holland, Van Vliet Recycling, afval- en energienutsbedrijf HVC, afvalinzamelaar Avalex, telersvereniging FresQ en het Hoogheemraadschap van Delfland een intentieverklaring om een onderzoek te doen naar de bouw van een vergistingsinstallatie in de regio Westland. Hiermee komt de realisatie van een bio based park weer een stap dichterbij.
Een bio based park is een plek waar bedrijven zijn gevestigd die uit plantaardig restmateriaal nieuwe producten maken. Het restmateriaal is afkomstig uit de glastuinbouw, maar ook groente-, fruit- en tuinafval en snoeiafval van gemeenten en het waterschap kunnen worden verwerkt. Materiaal dat niet kan worden hergebruikt, wordt vergist in een vergistingsinstallatie. Bij het vergisten worden biogas, CO2 en duurzame warmte geproduceerd. Het biogas kan worden gebruikt als brandstof voor auto’s en het kan worden omgezet in electriciteit. De CO2 kan worden teruggeleid naar de kassen om planten te laten groeien en de warmte die vrij komt kan worden ingezet om bijvoorbeeld woningen te verwarmen.
Een bio based park biedt financiële voordelen en draagt bij aan doelstellingen van de betrokken partijen op het gebied van milieu (vermindering CO2-uitstoot) en energietransitie (gebruik alternatieve energiebronnen). Het plan om in of nabij Westland een bio based park te realiseren vloeit voort uit de Westland Agenda. Deze agenda is in 2009 opgesteld door de gemeente Westland en het Westlandse bedrijfsleven en bevat projecten om bedrijven sterker uit de crisis te laten komen.  Het project Bio Base Westland wordt getrokken door overheden en bedrijfsleven. Het draagt bij aan het streven van de betrokken partijen om Westland de meest innovatieve en duurzame Greenport van Nederland te laten zijn.
In 2010 is vanuit de Westland Agenda een visiedocument opgesteld. In 2011 en begin 2012 heeft de projectgroep van de Westland Agenda een onafhankelijk projectleider aangesteld om initiatiefnemers voor vergisting bij elkaar te brengen. De deelnemende partijen gaan nu aan de slag om een businesscase uit te werken. Deze is naar verwachting klaar in september 2012. Dan is ook duidelijk of de bouw van een vergistingsinstallatie haalbaar is en onder welke voorwaarden en waar de vergistingsinstallatie gebouwd kan worden. De verdere uitvoeringsstappen zullen na september 2012 worden genomen, o.a. de financiering, de definitieve locatiekeuze en het vergunningentraject. De daadwerkelijke bouw van de installatie zal op zijn vroegst eind 2013 starten.

dinsdag 26 juni 2012

Investeringshausse in Nederlandse hernieuwbare energie verwacht

Nederland dreigt momenteel zijn doelstelling inzake hernieuwbare energie voor 2020 niet te halen. Daarom kan de sector de komende jaren een investeringshausse tegemoet zien, zo stelt een nieuw rapport van de Rabobank.
De omvang van het tekort zal waarschijnlijk volgend jaar zichtbaar worden. Dit leidt tot een nieuwe golf van investeringsmogelijkheden in zon-PV, offshore en onshore windenergie en het bij- en meestoken van biomassa. Naast de voorspelde € 12 miljard binnen het ‘business-as-usual’-scenario zal er nog eens € 24 miljard extra uitgegeven moeten worden, aldus Clara van der Elst, analist bij de Rabobank.
“Het merendeel van de aanvullende investeringen, circa € 13 miljard, gaat naar zon-PV. Voor offshore windenergie is € 7 miljard aan investeringen nodig, en voor onshore windenergie en het bij- en meestoken van biomassa ieder nog eens € 2 miljard”, voegt Van der Elst toe. “Op basis van haar berekeningen verwacht de Rabobank dat, als het huidige investeringsniveau gehandhaafd blijft, hernieuwbare energie in 2020 slechts voor 9 procent bijdraagt aan de totale energieproductie, terwijl de doelstelling 14 procent is.” In 2011 was het aandeel van hernieuwbare energiebronnen in de totale energie-opwekking slechts 4 procent, veel lager dan de meeste andere EU-landen.
“Voor ons geldt 2014 als een potentieel omslagpunt voor hernieuwbare energievormen in Nederland. Dan zal namelijk het gat tussen de beoogde en daadwerkelijk gerealiseerde vooruitgang duidelijk zichtbaar zijn geworden. Een golf van investeringsmogelijkheden zal zich aandienen dankzij de combinatie van politieke veranderingen en lagere kosten”, stelt Van der Elst.
On- en offshore windenergie en zonne-energie lijken de voornaamste kandidaten om straks te profiteren van deze investeringsgolf. Om de doelstelling te halen is echter ook meer biomassa nodig, hoewel dit op de langere termijn wel eens minder wenselijk kan blijken. “Wij verwachten dat de regering rond 2013-14 haar beleid inzake hernieuwbare energie zal herzien, doordat de EU meer druk zal uitoefenen namelijk op lidstaten die achterlopen op hun doelstelling ten aanzien van hernieuwbare energie. Daarnaast verwachten wij een toenemende publieke steun voor hernieuwbare energie en nemen de kosten voor de benodigde technologiëen, vooral voor wind en zonnenergie, af dankzij opschaling en technische innovatie”, zegt Van der Elst.
Het zal voor Nederland lastig worden om zijn doelstelling inzake hernieuwbare energie voor 2020 te halen. Daar zijn verschillende redenen voor aan te wijzen. Ten eerste strookt SDE(+) – de belangrijkste stimuleringsmaatregel voor duurzame energie – niet met de investeringen uit het oorspronkelijke plan. Dat plan is vastgelegd in het bij de EU ingediende Nationaal actieplan voor energie uit hernieuwbare bronnen (NREAP). Ook leunt SDE(+) te sterk op productietechnologieën op basis van biomassa. Tenslotte zijn de aannames ten aanzien van de onderliggende energievraag en de mogelijke winst uit energiebezuinigingen te optimistisch
Het NREAP beoogt dat ongeveer de helft van de doelstelling behaald wordt door windenergie (vooral offshore) en de andere helft door energie uit biomassa. Maar, zegt Van der Elst: “het is nu in 2012 al zonneklaar dat dit scenario geen werkelijkheid meer gaat worden.”
Het grootste probleem is dat er nog nauwelijks iets van het SDE(+)-budget is uitgegeven omdat het programma investeerders niet de juiste prikkel biedt. In totaal is er voor slechts € 80 miljoen aan subsidies voor opwekking van hernieuwbare energie uit de SDE (+) regelingen van 2008 tot en met 2011 verstrekt. Dit terwijl het totale cumulatieve budget – in te zetten voor de gehele levensduur van de gehonoreerde projecten – over deze periode maar liefst € 9 miljard bedraagt.
Biomassa, inclusief biogas, eiste het leeuwendeel van de beschikbare gelden op (bijna 80 procent in 2011), maar van winstgevendheid zal bij een substantieel aantal geen sprake zijn. Dit is deels het gevolg van de gestegen prijzen van hoog energetische biogrondstoffen. Financiering wordt daarmee moeilijk, waardoor een duidelijke discrepantie is ontstaan tussen de beoogde en de gerealiseerde capaciteit van hernieuwbare energiebronnen.
Met circa 1,25 GW van 2008 tot 2010 is onshore wind de grote veroorzaker van het gat tussen de begrote en voltooide hernieuwbare-energieprojecten. Het voornaamste probleem is de zogenaamde ‘Not In My BackYard’-weerstand (NIMBY) die onvermijdelijk is in een land zo dichtbevolkt als Nederland. Daarnaast kunnen ontwikkelaars alleen SDE+-subsidie aanvragen wanneer ze in het bezit zijn van een dure bouwvergunning.
Tenslotte is de beperking van het aantal gesubsidieerde vollasturen tot 2.200 ook contraproductief geweest, hoewel de SDE+ 2012 hierin tegemoet komt. Offshore wind is feitelijk aan de kant geschoven vanwege de hoge kosten die het met zich meebrengt, hoewel deze op de langere termijn waarschijnlijk zullen dalen voor nieuwe projecten. Ook de toepassing van zon-PV is afgeremd door de kosten. Desalniettemin is deze techniek de laatste jaren aanzienlijk goedkoper geworden, waardoor de installatiecijfers tussen nu en 2020 naar verwachting omhoog zullen schieten zonder dat daar SDE- subsidie voor nodig is.
Verschillende factoren staan dit scenario van versnelde investering in de weg, waaronder de bredere macro-economische situatie, de impact van de Basel III-bankregels op het investeringsniveau en problemen bij de aansluiting op het elektriciteitsnet. Desalniettemin stelt Van der Elst: “Hoewel de situatie problematisch is, heeft Nederland nog altijd een kans om in 2020 dichtbij de doelstelling inzake hernieuwbare energie te eindigen.”

vrijdag 22 juni 2012

Brazilië en Nederland maken afspraken over duurzame biobrandstoffen

Brazilië en Nederland gaan de komende twee jaar intensiever samenwerken bij het ontwikkelen van biobrandstoffen die voldoen aan de duurzaamheidscriteria.  Ook gaan beide landen kennis uitwisselen over nieuwe technieken voor het gebruik van biomassa voor electriciteit. Hier heeft staatssecretaris Atsma (Infrastructuur en Milieu) vandaag een overeenkomst over getekend met, Luiz Figueiredo Machado, de Brazilaanse hoofdonderhandelaar van Rio+20.
Brazilië is een grote producent en leverancier van duurzame brandstoffen die bijvoorbeeld geproduceerd worden uit suikerriet of uit organische reststoffen zoals houtpulp. Omdat dat 4,5% van de brandstoffen die op de Nederlandse markt worden gebracht van hernieuwbare afkomst moet zijn, neemt de vraag naar duurzame biobrandstoffen in Nederland sterk toe.
Atsma: ''Nederland wil uitsluitend brandstoffen gebruiken waar bij de productie geen negatieve effecten optreden voor bijvoorbeeld de landbouw, voedselproductie of natuur. Het is dus belangrijk dat Nederland landen en bedrijven die biobrandstoffen produceren laat weten wat onze eisen rond duurzaamheid zijn en zij daar in hun productieproces op kunnen inspelen. Met deze overeenkomst wordt vraag en aanbod optimaal op elkaar afgestemd.”
Ook wordt Nederlandse kennis met Brazilie gedeeld zodat er bio-energie ingezet gaat worden in de Braziliaanse deelstaat Maranhao.  In deze fabriek kunnen organische reststoffen zoals houtpulp verwerkt worden tot biobrandstof die vervolgens gebruikt wordt bij het opwekken van energie.

dinsdag 19 juni 2012

KLM BioFuel Programma brengt ontwikkeling biofuel verder

Na de eerste commerciële biofuel vlucht die KLM in juni 2011 heeft gevlogen, voert KLM vandaag de langste biofuel vlucht ooit uit. De KL705 vertrekt vandaag met een Boeing 777-200, onder andere met staatssecretaris Atsma van Infrastructuur en Milieu aan boord, van Amsterdam naar de duurzaamheidstop Rio+20 in Rio de Janeiro, Brazili. Het toestel vliegt deels op een duurzame brandstof die gemaakt is van afgewerkt frituurvet (Used Cooking Oil).
Daarnaast breidt KLM haar pioniersrol op het gebied van de ontwikkeling van duurzame biobrandstof verder uit. Al sinds 2007 werkt KLM samen met WNF-NL. KLM lanceerde vanmorgen een programma dat zij als eerste luchtvaartmaatschappij met SkyNRG heeft ontwikkeld. Hiermee stelt zij bedrijven in staat om een deel van hun vluchten op duurzame biobrandstof te gaan vliegen en daarmee de verdere ontwikkeling van biofuel te stimuleren. Prominente bedrijven zoals Ahold, Heineken, Accenture, DSM, Philips, Nike en Schiphol Group hebben zich vandaag aan het KLM BioFuel programma verbonden. Zij tonen hiermee hun leiderschap en nodigen andere bedrijven uit om dit voorbeeld te volgen.
De brandstof die KLM gebruikt, is geleverd door SkyNRG, het bedrijf dat KLM in 2009 met North Sea Group en Spring Associates is gestart. Inmiddels is SkyNRG wereldmarktleider in de opkomende markt voor duurzame kerosine, met leveringen aan meer dan 15 luchtvaartmaatschappijen over de hele wereld.
KLM staat open voor het gebruik van verschillende grondstoffen voor het eindproduct mits ze voldoen aan diverse duurzaamheidscriteria, waaronder substantile vermindering van CO2 uitstoot, minimale negatieve impact op biodiversiteit en de voedselvoorziening. Tevens voldoet alle biobrandstof die KLM gebruikt exact aan dezelfde technische specificaties als traditionele kerosine; er zijn dan ook geen aanpassingen nodig aan vliegtuigmotoren of de infrastructuur.

woensdag 13 juni 2012

Zwembad in Dortmund krijgt warmte per vrachtauto

Voor de verwarming van een groot zwembad in Dortmund heeft het bedrijf Latherm een unieke oplossing bedacht. Het bedrijf stopt overschotten aan warmte bij industrie en afvalverwerking in speciale containers en transporteert die per vrachtauto naar het zwembad. De projectgroep biomassa & wkk organiseert een excursie naar dit project en combineert dit met een workshop. Ingenieurs van Duitse bedrijven en onderzoekinstituten vertellen hier over de laatste ontwikkelingen bij transport en opslag van warmte. Opslag van energie is met de Energiewende volop in de aandacht in Duitsland.
De containers van Latherm zijn gevuld met glauberzout, maar in Duitsland werkt men ook aan de ontwikkelingen van opslagsystemen met zeoliethen. Heike Schreiber van de universiteit van Aken zal vandaag in Dortmund vertellen over haar project voor bierbrouwerijen met opslag van warmte in zeoliethen. Bij dit project is de opzet om warmte uit een WKK op te slaan en in temperatuur te verhogen om de warmte ooptimaal te kunnen benutten in een brouwerij.
In Hamm heeft men al enkele jaren ervaring met containers gevuld met zeoliethern om restwarmte van een fabriek te transporteren naar afnemers van warmte. Dat project is ontwikkeld door het instituut ZAE Bayern.
Het studiebureau Born-Ermel heeft een slimme oplossing om warmte van WKK op biogas te benutten. In plaats van het leggen van dure warmteleidingen gebruikt men een simpele leiding voor ruw biogas om de WKK te kunnen plaatsen op een locatie waar warmte nodig is. Het transport van ruw biogas per leiding vergt speciale kennis, maar biedt grote mogelijkheden. Voor het biogas van de rioolwaterzuivering van Braunschweig heeft Born-Ermel zelfs een biogasleiding met een lengte van 20 kilometer ontworpen en in gebruik genomen.
Ingenieursbureau Averdung te Papenburg heeft een wel heel bijzonder project ontwikkeld voor de opslag van warmte. Een betonnen bunker uit de Tweede Wereldoorlog in Hamburg wordt nu  volgens een ontwerp van dit bureau omgetoverd tot energiecentrale voor een nieuwbouwwijk. De bunker gaat dienst doen als opslagtank van warmte. Ingenieur Averdung gaat in Dortmund een toelichting geven op dit project en op de kansen voor grootschalige opslag van warmte.

dinsdag 12 juni 2012

Groene energie uit rioolwater?!

Water zuiveren kóst energie, maar als je het vrijgekomen slib dat daarbij ontstaat slim weet om te zetten naar biogas, lévert het ook energie op: het dubbele welteverstaan,” legt een enthousiaste Ruud Schemen uit. Hij is programma coördinator van de Energiefabriek, de ‘denktank’ van een aantal Nederlandse waterschappen. Deze denktank buigt zich over het verzinnen en toepassen van steeds slimmere methodes om groene energie uit afvalwater te halen, en energiezuiniger het afvalwater te zuiveren.

maandag 11 juni 2012

Bio-energie van eigen bodem voor Twente

Twenergy is de naam van het door Cogas en Twence opgerichte bio-energiebedrijf. Overijsselse gedeputeerde Theo Rietkerk onthulde vrijdag op de Boeldershoek in Hengelo het beeldmerk van het nieuwe bedrijf dat biogas produceert, transporteert en verwerkt. De initiatiefgroep bestaat behalve uit vertegenwoordigers van Twence en Cogas ook uit bestuurders van de provincie en gemeenten uit Twente. Twenergy wil een leidingnetwerk voor biogas in deze regio realiseren.

zondag 10 juni 2012

PvdA boos over gedoe met biomassa

De PvdA-fractie in de gemeenteraad van Breda heeft het gevoel dat milieuwethouder Wilbert Willems via een 'salamitactiek' zijn plannen voor een biomassacentrale in Brabantpark probeert door te drukken. In een brief aan burgemeester en wethouders schrijft fractievoorzitter Miriam Haagh dat ze eigenlijk niet precies meer weet waar ze aan toe is. De fractievoorzitter snapt ook niet waarom het eerst van groot belang was dat de subsidie in 2012 zou worden binnengehaald, terwijl nu blijkt dat 2013 geen probleem is.

zaterdag 9 juni 2012

Groene energie uit slachtafval

Rendac, onderdeel van VION Ingredients, en biotechnologiebedrijf Paques zullen samen een afvalwaterverwerkend systeem bouwen waarmee groene energie wordt geproduceerd. Rendac verzamelt karkassen en slachtafval. In de fabriek in Son wordt een groot gedeelte van dit afval verwerkt tot biogas. Dit proces verbruikt veel water dat nu nog wordt verwerkt in een afvalverwerkende installatie, wat veel energie kost.

maandag 4 juni 2012

Klimaatbaten van huidige biobrandstoffen lager dan kosten fosfaatuitputting

Bij de productie van gewassen als tarwe, maïs, palmolie en suikerbiet voor biobrandstof zijn de kosten van fosfaatuitputting groter dan de baten van verminderde CO2-uitstoot. Mede omdat er betere alternatieven zijn voor duurzame energie (zon, wind, biogas) zouden de beleidsdoelstellingen voor het bijmengen met biobrandstoffen opnieuw moeten worden bezien, betogen de onderzoekers van Wageningen University, onderdeel van Wageningen UR, in het internationale tijdschrift Ambio dat deze week is verschenen.
Fosfaat in kunstmest is essentieel voor de wereldvoedselproductie, maar de voorraden zijn eindig. Voor biobrandstoffen is momenteel 2% van de wereldproductie aan fosfaat nodig. Dit percentage zal snel stijgen in de komende jaren vanwege het verplichte bijmengen van biobrandstof in benzine en diesel.
Eerste-generatie biobrandstoffen zijn brandstoffen geproduceerd uit landbouwgewassen zoals tarwe, mais, suikerbiet, suikerriet, koolzaad, soja en palmolie. In ieder liter benzine of diesel getankt aan de Nederlandse pomp is ongeveer 4% biobrandstoffen bijgemengd. Een belangrijke reden voor het EU-beleid, dat bijmengen verplicht, is dat biobrandstoffen hernieuwbaar zijn, en dat ze zouden leiden tot een lagere CO2-uitstoot. Echter, de productie van de huidige biobrandstoffen is controversieel vanwege mogelijke effecten op de
prijs van voedsel en de milieu-effecten.
Onderzoekers van Wageningen University keken naar de effecten van de productie van biobrandstoffen op de uitputting van fosfaatvoorraden. Net als andere landbouwgewassen vraagt de productie van eerste-generatie
biobrandstoffen fosfaat-kunstmest. De wereldvoorraden fosfaat zijn echter eindig. Voorspellingen over de nog beschikbare hoeveelheid lopen nogal uiteen van genoeg voor minder dan een eeuw tot enkele eeuwen. Uitputting van de fosfaatvoorraden zal dramatische gevolgen hebben voor de wereldvoedselproductie. Dit roept de vraag op of fosfaat gebruikt zou moeten worden voor de productie van biobrandstoffen.
De onderzoekers onderzochten ook hoe de positieve invloed van biobrandstoffen op klimaatverandering zich verhoudt tot de negatieve invloed op de uitputting van fosfaat. Deze vergelijking is in principe mogelijk door aan
te nemen dat er een maximale hoeveelheid CO2 is die nog uitgestoten kan worden om de globale temperatuurstijging te beperken tot 2 of 3 graden Celsius. De hoeveelheid vermeden CO2-uitstoot per eenheid biobrandstof kan dan worden vergeleken met de hoeveelheid benodigde fosfaat per eenheid biobrandstof.
Het blijkt dat ook bij een optimistische aanname over de hoeveelheid nog beschikbare fosfaat de negatieve effecten van fosfaatuitputting de positieve effecten van verminderde CO2 uitstoot ruimschoots overtreffen.
Alleen voor suikerriet zijn beide effecten vergelijkbaar, bij een optimistische aanname over de wereldfosfaat voorraden. Dit betekent dat de positieve effecten van eerste-generatie biobrandstoffen door verminderde klimaatverandering in de toekomst niet opwegen tegen de negatieve effecten op de toekomstige wereldvoedselvoorziening. Mede omdat er betere alternatieven zijn voor duurzame energie (zon, wind, biogas) zouden de beleidsdoelstellingen voor het bijmengen van biobrandstoffen opnieuw moeten worden bezien, betogen de onderzoekers.

 
Copyright (c) 2010 Biogas Nieuws and Powered by Blogger.