zondag 26 januari 2014

‘Tienduizenden extra banen bij gedeeltelijke overstap naar biomassa’

Als de Nederlandse chemische industrie voor de helft overstapt van fossiele grondstoffen naar biomassa, zoals gras of maïs, levert dat tienduizenden banen op. Die arbeid is vooral nodig bij de winning van deze hernieuwbare grondstoffen in de landbouw, waar de werkgelegenheid nu gestaag afneemt.
Uit berekeningen blijkt dat er bij de vervanging van de helft aan fossiele grondstoffen in de chemische industrie door biomassa dertigduizend nieuwe arbeidsplaatsen ontstaan. De groei aan arbeidsplaatsen zit vooral in de grondstoffenproductie. Daarnaast levert overschakeling van fossiel naar biomassa nog eens vijftienduizend werkplekken op in de chemische industrie, met name bij de verdere verwerking van die biomassa. De overstap kan plaats hebben zonder dat producten duurder worden en zonder subsidie omdat bij gebruik van biomassa de kapitaalskosten drastisch verlaagd kunnen worden, aldus prof. Sanders in zijn afscheidsrede. De werkgelegenheid in de chemische sector bedraagt nu ongeveer tachtigduizend fte.
De jarenlange trend in de industrie en landbouwsector is het verhogen van de arbeidsproductiviteit: met minder mensen dezelfde productie draaien. Dit is mogelijk geworden door automatisering, robotisering en andere innovaties en door inzet van fossiele energie en machines in plaats van menselijke arbeid. Deze productiviteitsverhogingen vereisen echter een groot investeringskapitaal, terwijl de risico’s eveneens hoog zijn en innovaties daardoor slechts incrementeel zijn. Het benutten van alle biocomponenten op hun hoogste waarde vraagt veel minder kapitaal en kan daardoor al op kleine schaal economisch worden  geïmplementeerd.
Om die overgang te bereiken is innovatie in de Europese chemische industrie noodzakelijk. “Zonder goedkope fossiele grondstoffen zoals elders in de wereld is er maar één manier”, stelt prof. Sanders, “en dat is het benutten van chemische bouwstenen uit biomassa. Daarmee kunnen grote, risicovolle bedrijfsinvesteringen worden voorkomen. Alleen moet er biomassa met interessante componenten aanwezig zijn.”
Een eenvoudig economisch rekensommetje toont de lucratieve resultante aan. Zo kost de bioraffinage van gras in drie componenten, inclusief grondstof ca 180 euro. Deze  componenten - 30 % vezels, 15 % eiwit en 55 % ‘sap’ – leveren samen 205 euro op. Eiwit alleen levert niet voldoende op om de kosten te compenseren. Samen met de opbrengst van de vezels in papier, karton of energie en opbrengst van de sap-componenten in de chemie, diervoeding en kunstmest, levert de bioraffinage wel voldoende op. ”Vijf jaar geleden was er nog geen zicht op een waardering vanuit de chemie of papiersector. Daarom is nu de tijd aangebroken waarin bioraffinage echt toegevoegde waarde zal brengen”, zegt prof. Sanders.
Prof. Johan Sanders deed in zijn carrière als hoogleraar Valorisatie plantaardige productieketens aan Wageningen University onderzoek naar hernieuwbare grondstoffen die fossiele olie en steenkool kunnen vervangen. De inzet is niet al die waardevolle biomassa in te zetten voor de productie van groene energie, zoals nu veelal gebeurt, maar de kostbare bestanddelen, zoals basisstoffen voor chemicaliën, er eerst uit te halen. Het restant kan benut worden voor de gemakkelijkste benutting, zoals elektriciteitswinning of warmte.

donderdag 23 januari 2014

Nieuwe installatie ZorgSaam maakt biogas van afval

Een nieuwe zuiveringsinstallatie gaat ervoor zorgen dat Ziekenhuis ZorgSaam minder energie en water gaat gebruiken. Momenteel wordt de installatie, met de naam Pharmafilter, opgebouwd. De installatie vermaalt en vervoert al het afval van het ziekenhuis en maakt er biogas van. In de zuiveringsinstallatie wordt organisch afval zoals bloed, uitwerpselen en waswater omgezet in biogas. Dat gas wordt later gebruikt voor het opwekken van energie en warmte. Daarnaast zuivert het filter het afvalwater van medicijnresten.

vrijdag 17 januari 2014

Nieuwe uitgave ‘groene grondstoffen’ vergelijkt duurzaamheid van biobased producten uit olie

In de serie ‘groene grondstoffen’ is begin 2014 een nieuwe uitgave verschenen. Het boek ‘duurzaamheid van biobased producten uit plantaardige olie’ gaat in op een vergelijking van producten uit natuurlijke olie. Verschillende biobased producten zijn onderling vergeleken, waarbij de milieu-impact van deze producten centraal stond. Het boek is het resultaat van een samenwerking tussen onderzoekers van Wageningen UR (Food & Biobased Research en Plant Research International) en de Universiteit Utrecht (Copernicus Instituut) en geschreven in opdracht van het ministerie van Economische Zaken.
Drie oliegewassen zijn in de studie vergeleken: oliepalm, koolzaad en soja. Uit deze gewassen kan een veelheid van biobased producten gemaakt worden: biodiesel, polyol voor polyurethaan en harsen zijn in de studie als eindproduct omschreven.
De meeste oliegewassen produceren niet alleen olie maar ook een belangrijke hoeveelheid eiwitrijk meel dat vaak gebruikt wordt als veevoer. Extra vraag naar olie voor food of non-food producten leidt daarmee tot extra productie van eiwit. Doordat er verschillen zijn in de hoeveelheid meel die de gewassen produceren kan dit leiden tot daling van de eiwitprijzen en disbalans in de eiwitmarkt (zoals afname van het eiwitgewas soja). Het tekort aan olie dat vervolgens ontstaat wordt opgevuld met marginale olie: palmolie. De markten voor de verschillende oliën hangen dus sterk met elkaar samen.
In de studie is door middel van de levenscyclusanalyse (LCA) methodiek, onderzocht hoeveel reductie in gebruik van niet-hernieuwbare energie en in emissie van broeikasgassen het gebruik van biobased producten kan opleveren (t.o.v. vergelijkbare producten uit fossiele bronnen). Ook is bekeken hoeveel land er nodig is om deze producten te maken. De studie richt zich specifiek op de productiefase van onderzochte producten. Het bepalen van de milieu-impact van een bepaald product kan op twee verschillende manieren worden gedaan: door allocatie en systeemexpansie. Bij allocatie wordt een deel van de milieu-impact toegekend aan het hoofdproduct en een deel aan het co-product (in dit geval het eiwitrijke meel). Bij systeemexpansie wordt naast het hoofdproduct en zijn toepassingen ook de co-producten en hun toepassingen meegenomen in de berekeningen. In het boek worden de precieze verschillen tussen deze vergelijkingsmethoden toegelicht, en daarnaast de invloed die zij hebben op de berekende milieu-impact.
Voor alle onderzochte producten geldt, dat vervanging van een fossiel product door een vergelijkbaar biobased product leidt tot een verlaging van de uitstoot van broeikasgassen en van het gebruik van fossiele energie. Een belangrijke conclusie uit de studie is het feit dat het produceren van biobased materialen en chemicaliën uit natuurlijke olie een grotere reductie in gebruik van fossiele energie en broeikasgasemissie oplevert dan toepassing als brandstof. Een vergelijking met een vergelijkbare studie naar producten uit suiker uit 2011 leert dat deze conclusie geldt voor zowel suiker- als oliegewassen. Biobased materialen en chemicaliën leveren een grotere energie- en broeikasgasemissiebesparing op dan brandstoftoepassingen.

maandag 13 januari 2014

Beter gebruik van bossen nodig om aan vraag naar hout te voldoen

Europa heeft meer dan 1miljoen hectare bos, maar het duurzaam gebruik ervan kan veel beter, vooral in particuliere bossen. Het wordt steeds moeilijker om aan de toenemende vraag naar hout te voldoen. Om dit te verbeteren is onlangs het project SIMWOOD (Sustainable Innovative Mobilisation of Wood) gelanceerd. Het uitvoerende consortium bestaat uit 28 partners uit landen als Duitsland, België, Finland, Frankrijk, Groot-Brittannië, Ierland, Nederland, Portugal, Zweden, Slovenië en Spanje. Alterra is een van de deelnemers.
SIMWOOD wordt door de EU gefinancierd met ongeveer 6 miljoen euro over een periode van vier jaar. Gert-Jan Nabuurs neemt namens Alterra deel aan dit project, dat wordt gecoördineerd door de Bayerische Landesanstalt für Wald und Forstwirtschaft. “Wij richten ons op verbetering van de houtbeschikbaarheid door gebruik te maken van een geïntegreerde aanpak,” zegt Gert-Jan Nabuurs. “Behalve onderwerpen als boseigendom en houtoogsttechnieken, hechten we ook groot belang aan de participatie van lokale belangengroepen en de impact van houtoogst op de mogelijkheden van een bos om ook andere ecosysteemdiensten te leveren.”
SIMWOOD zal de bestaande sociaal-economische, technische en ecologische barrières proberen te slechten en oplossingen zoeken voor ‘houtmobilisatie’ in de 14 regio’s waar het project het optimaal gebruik van bos onderzoekt. In Nederland is het gebied van Overijssel en Gelderland als studiegebied aangewezen. Met behulp van de ‘mobilisator’, een online informatiesysteem dat door het project zal worden ontwikkeld, gaat SIMWOOD het effect van de nieuwe aanpak evalueren.
De houtindustrie in Europa bestaat op dit moment ongeveer 600.000 bedrijven, zoals houtzagerijen en meubelfabrikanten met 4 tot 5 miljoen werknemers en een jaarlijkse omzet van 550 miljard euro. Ook zij hebben behoefte aan een betrouwbare lokale bron van grondstoffen, waar SIMWOOD naar streeft. Gert-Jan Nabuurs: "Een betere benutting van onze bossen is nodig om aan de groeiende vraag naar hout in Europa te voldoen. We schatten dat er in 2030 zo’n 853 miljoen kubieke meter hout nodig is voor de industrie, en 585 miljoen kubieke meter voor energie. Een duurzame levering van dergelijke hoeveelheden vormt een uitdaging voor de bos- en houtindustrie. En dus ook voor het onderzoek."
 
Copyright (c) 2010 Biogas Nieuws and Powered by Blogger.