donderdag 27 februari 2014

Gevaren mestgassen onderschat

De gevaren van mestgassen worden onderschat. Veehouders, loonwerkers en anderen die met mest werken, realiseren zich onvoldoende dat bij bewerking van drijfmest veel mestgassen kunnen vrijkomen die dodelijk zijn. Dat leidt tot veel ernstige ongevallen, waarbij bovendien extra slachtoffers vallen doordat omstanders onbeschermd te hulp schieten. Veiligheid heeft de afgelopen decennia te weinig aandacht gekregen bij de ontwikkelingen rond opslag en verwerking van mest. Dit zijn conclusies in het rapport "Dodelijk ongeval mestsilo te Makkinga" dat de Onderzoeksraad voor Veiligheid vandaag publiceert.
Op 19 juni 2013 kwamen in Makkinga drie mensen om het leven bij het reinigen van een mestsilo. Het schoonmaken werd gedaan door twee medewerkers van een gespecialiseerd bedrijf. Terwijl een van hen in de silo aan het werk was, stond zijn collega op wacht bij het mangat dat zich in het dak van de silo bevond. Hoewel de persoon in de silo was uitgerust met een luchtkap (voor de toevoer van ademlucht) en een gasmeter (om te waarschuwen voor gevaarlijke concentraties), raakte hij bedwelmd door de vrijkomende mestgassen. In reactie daarop is zijn collega ook de silo ingegaan. Vervolgens zijn ook drie andere mannen - zonder adembescherming - te hulp geschoten; twee van hen zijn eveneens in de silo afgedaald. Bij hun poging het eerste slachtoffer te redden, raakten zij zelf ook bedwelmd. Van de vier slachtoffers zijn er drie overleden, de vierde is zwaargewond opgenomen in het ziekenhuis. Dit ongeval staat niet op zichzelf: tussen 1980 en 2013 hebben zich ten minste 35 ernstige ongevallen met mestgassen voorgedaan. Daarbij vielen 57 slachtoffers, waarvan 28 doden. Dit vormde voor de Onderzoeksraad voor Veiligheid reden onderzoek te doen naar de gevaren van mestgassen.
Mestongevallen vinden vooral plaats in besloten ruimten zoals een silo of tank (voor transport en uitrijden) en in stallen tijdens het mixen van de mest in de ondergelegen kelder. Het merendeel van de ongevallen ontstaat doordat er onvoldoende veiligheidsmaatregelen worden getroffen, zoals het gebruik van geschikte adembeschermingsapparatuur, het regelmatig mixen van de mest en het zorgen voor voldoende ventilatie. Het achterwege laten van veiligheidsmaatregelen bij het werken met mest komt naar het oordeel van de Raad vooral door het ontbreken van kennis en daardoor onderschatting van de gevaren. Een belangrijke oorzaak van het tekort aan kennis en risicobesef is dat de gevaren van mestgassen niet worden behandeld in agrarische opleidingen.
De ontwikkelingen in de agrarische sector van de afgelopen decennia hebben de kans op ongevallen vergroot. Schaalvergroting, strengere milieuwetgeving en aanscherping van het mestbeleid hebben er toe geleid dat meer mest wordt geproduceerd, de mest gedurende langere tijd wordt opgeslagen en de mestopslagen afgesloten zijn. Verder worden in toenemende mate stoffen als spuiwater (een soort vloeibare kunstmest afkomstig uit luchtwasinstallaties) toegevoegd aan de mest, wat de vorming van mestgassen kan versterken. Hiermee zijn ook de risico's groter geworden, wat te weinig aandacht heeft gekregen in de sector zelf en bij de overheid.
Bij een groot deel van de mestongevallen vallen extra slachtoffers doordat mensen die min of meer toevallig in de buurt zijn, een reddingspoging doen en daarbij zelf gewond raken of om het leven komen. De algemeen menselijke neiging om in noodgevallen impulsief te hulp te schieten, wordt bij mestongevallen vaak versterkt doordat meteen duidelijk is dat het om een acute noodsituatie gaat. Ook het feit dat het aantal potentiële hulpverleners klein is en men bovendien vaak een familie- of collegiale band met het slachtoffer heeft, zorgt voor impulsieve hulpacties. Dit vergroot de noodzaak tot het treffen van goede veiligheidsmaatregelen; gericht op zowel het voorkomen van mestongevallen als op het tegengaan van hulpgedrag waarbij men zichzelf in gevaar brengt. Hierbij is het vooral van belang dat op de locatie voorzieningen zijn om iemand op een veilige wijze uit de ruimte met mestgassen te kunnen halen.
Omdat de agrarische sector uit duizenden relatief kleine bedrijven bestaat, is er met name een rol weggelegd voor de brancheorganisaties en belangenverenigingen om de kennis en het risicobesef te vergroten. De raad adviseert aan LTO en andere agrarische brancheorganisaties (als NMV, NVV en Cumela) om er voor te zorgen dat er een platform komt dat informatie over de mestgasproblematiek verzamelt en verspreidt. Daarnaast adviseert de Raad dat 'veilig werken met mest' structureel wordt opgenomen in de agrarische opleidingen en dat de voorschriften voor het werken in besloten ruimten met mestgassen aangescherpt worden. 

woensdag 19 februari 2014

Voorzitter Biogas Vereniging Achterhoek niet eens met kritiek

Henk Ormel, voorzitter van Biogas Vereniging Achterhoek, is het niet eens met de kritiek van een omwonende dat BVA onvoldoende met bewoners rond industrieterrein Hofskamp- Oost zou communiceren. Buurman Wim Jolink heeft bezwaar tegen de komst van een biovergistingsinstallatie op het industrieterrein in Varsseveld. Daarnaast vindt Jolink, die op 300 meter afstand van de beoogde bouwlocatie woont, dat de biogasvereniging de omwonenden te weinig over de plannen inlicht

vrijdag 14 februari 2014

Vitens gaat als eerste waterbedrijf gas winnen uit water

Vitens is het als eerste waterbedrijf wereldwijd gelukt om methaangas te onttrekken aan het opgepompte grondwater en dit in te zetten als energiebron. Deze innovatie levert ’s lands grootste waterbedrijf de komende jaren miljoenen euro’s aan gratis energie op. De installatie wordt vrijdag 14 februari in het bijzijn van astronaut André Kuipers in gebruik genomen in het drinkwater productiebedrijf Spannenburg in Friesland.
Het methaan dat afgevangen wordt uit het grondwater in Friesland komt overeen met 1,8 miljoen kubieke meter aardgas per jaar voldoende om 1250 huishoudens een jaar van aardgas te voorzien (bij een gemiddeld jaarverbruik van 1.400 m3 aardgas per huishouden). Het bedrijf heeft ervoor gekozen het gas vooralsnog niet te verkopen, maar voor eigen gewin in te zetten door elektriciteit op te wekken met generatoren. Dit levert het productiebedrijf Spannenburg een energiebesparing op van omgerekend een half miljoen euro op jaarbasis. Op dit moment wordt gekeken of de techniek ook toepasbaar is in andere productiebedrijven.
Het grondwater bij Spannenburg bevat relatief veel methaan, gemiddeld 40 mg/l. Dit wordt nu door beluchting verwijderd. Zo komt er 1.000 ton methaan per jaar (1 miljoen kg) in de atmosfeer, wat overeenkomt met de uitstoot van 23.000 ton kooldioxide. Het broeikasgas methaan is namelijk 23 maal schadelijker dan kooldioxide. Door het toepassen van vacuümontgassing is meer dan 90 procent van het methaan aan het water te onttrekken en winbaar te produceren. Het afgevangen methaangas is prima te gebruiken voor het opwekken van elektrische energie. De opgewekte elektriciteit is goed voor 40 procent van het stroomverbruik van het productiebedrijf.
Oege Hoekstra, projectmanager Vitens: “De kunst is om de optimale omstandigheden in een vacuümketel te maken waarbij er zoveel mogelijk methaan uit het water vrijkomt bij een zo laag mogelijk energieverbruik. Vanaf de winputten waarin het water uit de bodem wordt opgepompt, wordt het meteen via een leiding naar de genoemde installatie voor vacuümontgassing gebracht. Dat doen wij door grondwater in een gesloten ketel te laten stromen waarin een vacuüm is aangebracht van 0,2 bar. Het water wordt in de ketel verdeeld over een dik pakket aan ringen waardoor zoveel mogelijk methaan uit het water ontsnappen. Via een vacuümpomp wordt het methaan weggezogen. Het gas wordt vanuit de vacuümpompen van de zes ketels getransporteerd naar de gasopslag. Daarbij moet gekeken worden naar het vacuüm wat je trekt, de manier hoe het water wordt verdeeld in de vacuümketel, de manier hoe het water in de ketel naar beneden stroomt door een bed van ringen. Bij de vacuümontgassing komen ook kooldioxide, stikstof en waterdamp uit het water. De gehaltes hiervan moeten liefst zo laag mogelijk zijn, het methaangehalte zo hoog mogelijk omdat dit het brandbare gas is. Zodra het gasmengsel uit de vacuümketel is gezogen moet het getransporteerd worden naar de gasmotor met generator. Daarvoor moet eerst de waterdamp verwijderd worden omdat er anders ongewenst condens ontstaat in leidingen. Het gas dat overblijft na verwijdering van de waterdamp is uitermate geschikt voor verbranding in een gasmotor.”
De techniek voor vacuümontgassing is in eigen beheer ontwikkeld en heeft in 2010 al diverse innovatieprijzen gewonnen, namelijk de IWA Project Innovation Award, een innovatieprijs van de internationale drinkwatersector, en het Ei van Columbus. Dit is de nationale innovatieprijs van o.m. het ministerie van VROM in de categorie ‘Duurzame Productie’. De theorie krijgt vrijdag voor het eerst een praktisch vervolg in Spannenburg. Dit productiebedrijf levert water aan ongeveer 300.000 mensen in Friesland.
Op Spannenburg worden nu alle reststoffen van de zuivering nuttig hergebruikt. Behalve het methaangas gaat het om de reststoffen ijzerslib en spoelwater (beide van schoonspoelen van de filters), kalkkorrels van de ontharding en humuszuur dat bij de ontkleuring vrijkomt.

Proces miljoenenfraude bij biobedrijven van start

Voor de correctionele rechtbank van Antwerpen begint het proces over mogelijke fraude rond de vennootschappen Bioblue Comfort, Bioblue Global en Eos Biogas Energy. Een van de beschuldigden is Louis-Philippe Neirinckx. Hij is de eigenaar van het Antwerpse Heyman & Co, de grootste afwikkelaar van faillissementen van ons land. Naast hem in de beklaagdenbank zit de Nederlander Wilfred Aalders, die in Nederland al is veroordeeld voor fraude en in de nasleep ervan ooit werd neergekogeld. Tweehonderd beleggers zouden samen 100 miljoen verloren hebben in de fraude rond zijn bedrijf TPC International.

maandag 10 februari 2014

TU/e partner in instituut voor biobased en biomedische materialen Chemelot InSciTe

De TU/e participeert in een internationaal onderzoeks- en kennisinstituut voor biobased en biomedische materialen, Chemelot InSciTe (Institute for Science and Technology). Vandaag gaat het samenwerkingsverband officieel van start. In Chemelot InSciTe trekken topwetenschappers, het bedrijfsleven en de overheid samen op als internationaal kennisknooppunt om innovatieve nieuwe chemische bouwstenen van biomassa te maken en nieuwe biomedische materialen te ontwikkelen, te testen en klaar te maken voor marktintroductie. Gezamenlijk investeren partijen €80 miljoen in het instituut. Daarmee stimuleren ze tegelijkertijd werkgelegenheid en verdere ontwikkeling van kennis en bedrijvigheid in de regio Limburg en daarbuiten.
Rector magnificus prof. dr. ir. Hans van Duijn van de TU/e onderstreept het belang van het project. "Chemelot InSciTe is voor de Technische Universiteit Eindhoven (TU/e) een belangrijk platform voor het opzetten en uitbouwen van onderzoeksactiviteiten in innovatiegebieden die voor de TU/e van grote betekenis zijn. De samenwerking met industriële en academische partners als DSM en UM/MUMC+, de beschikbaarheid van de biobased proeffabriek en de aanwezigheid van biomedische onderzoeksfaciliteiten op de Chemelot Campus bieden uitgelezen kansen om wereldwijd onze koploperpositie verder uit te bouwen. Daarnaast is Chemelot InSciTe bij uitstek geschikt om economische meerwaarde te creëren uit onderzoeksresultaten.”
Topwetenschappers van de Universiteit Maastricht, Maastricht UMC+, Technische Universiteit Eindhoven en experts van DSM en de Chemelot Campus bundelen hun kracht, kennis en expertise en dragen zo bij aan het verantwoord gebruik van duurzame grondstoffen en het betaalbaar vitaal ouder worden. Om voorop te lopen in de ontwikkelingen op beide gebieden zijn partnerships tussen kennisinstituten en bedrijfsleven in Nederland en wereldwijd cruciaal. Voor de biobased markt gaat Chemelot InSciTe hoogwaardige bio chemische bouwstenen ontwikkelen die bijvoorbeeld gebruikt kunnen worden in bijvoorbeeld harsen voor auto’s, op zonnecellen, in gebouwen en elektronische apparatuur. Voor biomedische toepassingen gaat het instituut onder andere werken aan materialen voor nieuwe bloedvaten, materialen waarmee kraakbeen zichzelf herstelt en aangroeit in het lichaam en slimme medicijncontainertjes voor in het oog om ooginfecties te voorkomen en te behandelen.
De positie van de Chemelot Campus in Sittard-Geleen als Europese springplank naar de rest van de wereld trekt innovatieve bedrijven en visionaire investeerders aan en fungeert als knooppunt van ondernemers en bedrijven die elkaars groei versterken. Ook vergroot het de werkgelegenheid in de regio Limburg. De drie Founding Fathers UM samen met het Maastricht UMC+, TU/e en DSM investeren initieel elk €10 miljoen voor de komende 6 jaar. De Provincie Limburg investeert via Chemelot Campus €30 miljoen in R&D-activiteiten en €20 miljoen euro in infrastructuur voor onderzoek en faciliteiten voor opschaling van productie. De dagelijkse leiding van het instituut is in handen van algemeen directeur Emiel Staring.
Chemelot InSciTe is gefundeerd op 4 pijlers, de 4 E’s: Entrepreneurs, Experimentation, Expertise en Education. Innovatieve ondernemers – Entrepreneurs – uit het bedrijfsleven en de wetenschap werken samen aan de ontwikkeling van materialen in een volledig operationele testomgeving -Experimentation- en bundelen daartoe hun Expertise en kennis en ervaring van de Founding Fathers, als ook die van externe partners en andere professionals die actief zijn op de campus. Verder wordt Chemelot InSciTe door middel van gedegen Education een kweekvijver voor een nieuwe generatie talentvolle wetenschappers en ondernemers. Bij elkaar vormen de 4 E’s de rode draad om de gezamenlijke kennis en kunde daadwerkelijk te valoriseren en toegankelijk te maken voor iedereen.

Start up lanceert biomassa marktplaats

Een Nederlandse start-up heeft de wereldwijde online marktplaats BiomassTrade.com gelanceerd, die vraag en aanbod in biomassa, biobrandstoffen en gerelateerde producten bij elkaar brengt. BiomassTrade.com is de enige online marktplaats die hier wereldwijd in voorziet. De online marktplaats heeft als doel handel in biomassa en biobrandstoffen transparant en efficiënt te maken, om zodoende de opkomst van biomassa als duurzame energiebron verder te stimuleren.  Afnemers of leveranciers uit allerlei landen kunnen hun vraag of aanbod online plaatsen en direct in contact treden met geïnteresseerde partijen. Ook organisaties die actief zijn in onderzoek en ontwikkeling op het gebied van bio-energie kunnen via deze marktplaats hun producten en diensten wereldwijd kenbaar maken. 


vrijdag 7 februari 2014

Internationale handel in biomassa is exponentieel gestegen

Het gebruik van biomassa is in de afgelopen 10 jaar exponentieel toegenomen. Dit is een direct gevolg van de toename in internationale handel door de verschillen in productiekosten en consumentenprijzen tussen verschillende regio’s. De handelsvolumes van biodiesel namen toe met een factor 20, die van ethanol met een factor 4 en die van houtpellets met een factor 14. De Europese Unie zal in het leeuwendeel van haar biomassa-verbruik zelf kunnen voorzien, maar om negatieve gevolgen in landen van herkomst te vermijden zijn er voor de import van biomassa duurzaamheidscriteria nodig. Zulke criteria zijn al vereist voor vloeibare biobrandstoffen, maar nog niet voor biobrandstoffen in vaste vorm. Dat stelt Patrick Lamers die op 7 februari aan de Universiteit Utrecht hoopt te promoveren.

donderdag 6 februari 2014

Bezorgdheid om ‘explosieve mest’

Omwonenden en milieuorganisaties zijn bezorgd over de uitbreidingsplannen van Biovergistingsinstallatie BioMoer in Moerstraten. De installatie is een samenwerkingsverband van boeren en tuinders waar mest duurzaam wordt omgezet in gas en vervolgens in elektriciteit. Eigenlijk heel milieuvriendelijk. Toch is er onrust, nu het bedrijf twee keer zo groot wil worden.

woensdag 5 februari 2014

Kansen voor biomassareststromen in Greenport Betuwse Bloem

In Greenport Betuwse Bloem liggen interessante kansen voor de valorisatie van verschillende biomassareststromen uit de tuinbouw. Wageningen UR Food & Biobased Research heeft hiervoor in opdracht van de Provincie Gelderland vijf specifieke valorisatie cases onderzocht op basis van een analyse van recente ontwikkelingen en beschikbare reststromen: champost, houtachtige biomassa uit de laan- en fruitbomenteelt, paprikareststromen, reststromen uit de chrysantenteelt en reststromen van de groenteveiling in Zaltbommel.
Wil men iedere reststroom daadwerkelijk waarde geven dan moeten specifieke scheidingstechnologieën ontwikkeld worden, en zijn slimme logistieke oplossingen van belang. De ontwikkeling van deze gecombineerde technologieën wordt financieel pas aantrekkelijk als kleine reststromen gebundeld kunnen worden en men in staat is de reststromen snel te verwerken nadat ze vrijkomen.
Voor een alternatieve verwerking van champost en omzetting naar producten met een toegevoegde waarde onderzoekt Wageningen UR Food & Biobased Research momenteel geschikte scheidingstechnologieën. Om champost in te kunnen zetten als bodemverbeteraar is verlaging van het fosfaatgehalte van groot belang. Componenten uit champost zijn na scheiding ook in te zetten als bouwgrondstof (gipsblokken, isolatieplaten) of producten met een hogere toegevoegde waarde, zoals mycelium en humine.
Voor houtachtige biomassa, die vrijkomt in de laan- en fruitbomenteelt, lijkt de meest voor de hand liggende valorisatieroute de productie van plaatmaterialen te zijn. In de regio komt voldoende houtachtige biomassa vrij om een productielijn te kunnen voeden. Op het moment zijn er plannen om een productiefaciliteit in Gelderland op te zetten.
Paprikareststromen kunnen worden gescheiden in sapstromen (met mogelijk interessante inhoudsstoffen) en vaste fracties, die bruikbaar zijn in vezelcomposieten of karton. Reststromen uit chrysanten zijn beperkt in omvang maar zeer geconcentreerd, waardoor materiaal met een potentieel hoog gehalte aan bioactieve componenten (zoals antioxidanten, geur-, kleur- en smaakstoffen) beschikbaar komt.
De reststromen van de groenteveiling Zaltbommel zijn zo divers, en variëren zo sterk in hoeveelheid en samenstelling, dat energieopwekking via vergisting de meest voor de hand liggende alternatieve valorisatieroute vormt.
De onderzochte valorisatieroutes geven een beeld van de mogelijkheden van verschillende reststromen, maar vormen nog geen volledig uitgewerkte business cases. Ondernemers in de regio zien wel kansen voor de innovaties, maar vanwege de huidige economische situatie in de sector is het moeilijk voor individuele bedrijven om te investeren. Zeker wanneer nog meer diepgaand onderzoek naar bijvoorbeeld betaalbare scheidingstechnologieën nodig is. Het vinden van financiële middelen is daarmee een belangrijke voorwaarde om de kansen die men ziet tot concrete acties te brengen.

 
Copyright (c) 2010 Biogas Nieuws and Powered by Blogger.